Donderdag
28 september 2017
Het is 5 uur toen de
nachtverpleegkundige mij wakker maakte om bloed af te nemen. In één ruk had ik
doorgeslapen totdat zij mij wakker maakte.
Ik kijk tevreden om mij
heen, terwijl de verpleegkundige moeite heeft om mijn aders aan te prikken. Het
infuus in mijn rechterpolsslagader was al verwijdert en daardoor kan er niet zo
makkelijk bloed worden afgetapt. Er moet dus geprikt worden en dit gaat keer op
keer mis. De verpleegkundige vindt het heel vervelend en zegt keer op keer dat
het haar spijt dat mijn handen er inmiddels uitzien als speldenkussens. Ik haal
mijn schouders op. Ze doet het niet expres.
Uiteindelijk kan om 5:30
uur het licht weer uit en na wat berichtjes over en weer verstuurd te hebben
naar vrienden die op dat moment zouden opstaan voor hun vlucht naar Amerika,
draai ik mij om in een poging nog wat verder te slapen.
Om 8:00 uur word ik
gewekt door een verpleegkundige die ik ken van vorige opnames. “U lag zo lekker
te slapen dat ik u nu als laatste wakker maak.”, lacht ze. Alles staat al klaar
om te wassen en te kleden. Het humeur van de avond er voor is verdwenen. Met
goede moed richt ik me op en verzorg mezelf. Voor het ontbijt ga ik in een
stoel naast het bed zitten. Ik zit ‘op’. Trots ben ik. Het lukt. En ineens, zo
vlak voor de tweede hap van het tweede broodje met chocoladepasta (want
chocolade helpt altijd), zie ik vlekken. Ik weet wat het is, het is mijn
bloeddruk. De verpleegkundige helpt mij in bed en meet mijn bloeddruk, 96/55
RR. Te laag uiteraard. Ik blijf liggen en langzaam aan probeer ik weer wat
overeind te gaan zitten. Het gaat goed. Ik knoop in mijn oren dat ik moet
opletten en rustig aan moet blijven doen. Na actie weer rust nemen.
De zaalarts komt langs en
vertelt dat ik naar huis mag, aan het eind van de ochtend mag ik worden
opgehaald. Uiteraard had ik dit al verwacht; het gaat zo goed!
Blij pak ik mijn spullen
in en kleed mij aan. Vlak voordat mijn man arriveert, stapt mijn cardioloog
mijn kamer binnen. ‘Nog net op tijd om u gedag te zeggen’, begint hij, ‘en
excuses, maar gisteravond lukte het niet meer om langs te komen.’ Ik vertel
trots dat het goed gaat en dat ik blij ben dat alles nu achter de rug is. Hij
glimlacht tevreden en geeft, zoals altijd, aan dat ik hem moet mailen als er
iets aan de hand is. We zullen elkaar over ongeveer een maand terugzien voor
controle.
Mijn lieve echtgenoot,
die de klappen van de zweep inmiddels zo goed kent, rent de kamer binnen met
een rolstoel. Hoera! We gaan! We laden de spullen op mijn schoot en verlaten
met een vaart de hartbewaking, terwijl we al dankend en zwaaiend de
verpleegkundigen gedag zeggen. (De verpleegkundigen van de hartbewaking van het
UZ Gent zijn fantastisch!)
Met een lunchpakket aan
boord, vertrekken we terug naar huis. Een rit van drie-en-een-half uur. Ik moest
plassen (as usual), maar vertik het om te stoppen bij een toilet aan de
snelweg. We rijden door, aan één stuk.
Rond 14:30 u zijn we
thuis. Mijn rechterbeen (waar de liesslagader is aangeprikt) is stijf en
pijnlijk. Ik ben moe, maar te enthousiast om te gaan slapen. De kinderen zijn
verrast en blij; ze hadden ons nog niet terug verwacht voor het avondeten.
Ik installeer mezelf in
bed en die avond eten we friet. In bed. Een traditie; na een ziekenhuisopname
eten we frietjes! Hoe feestelijk (en gemakkelijk).
Langzaam daalt rust op
ons gezin. Het is geweest. Iedereen is weer thuis. Nu kan het herstellen
beginnen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten